|
| |
|
ZWANGER?
|
(mei 2002)
|
|
Ik koop een zwangerschapstest en
lees de gebruiksaanwijzing tig keer. Ik kijk in de verpakking en zie
twee tests.
 |
Vraag me af of
het nog niet een beetje te vroeg is om zo'n test te kunnen doen,
maar ik heb geen geduld meer. De gebruiksaanwijzing ken ik uit
mijn hoofd. Het staafje heeft twee vensters. Bij zwangeren
verschijnt in beide vensters een blauw streepje. 'Al na een paar
minuten kent u het resultaat,' staat op de verpakking. En het
geeft de zekerheid van bijna 100% betrouwbaar testresultaat. |
Ik waag het erop. En wacht én
kijk. Er verschijnt een streepje. Een duidelijke blauwe streep.
Gespannen kijk ik of het tweede streepje ook verschijnt. Ik zucht. Maar
dan zie ik met een verbazingwekkende snelheid een tweede streep
verschijnen. Ze staan er, in volle glorie. Twee vette blauwe strepen.
Ik haal diep adem. Ik ben
zwanger! Wat ben ik blij! Ik pak de gebruiksaanwijzing nog een keer en
zie het er toch echt staan: 'U bent zwanger als... '
Jan is aan de telefoon en ik kan
me haast niet inhouden om de test onder zijn ogen te houden. Als Jan
klaar is met bellen, gun ik hem een blik op de vensters. Hij houdt de
test en de gebruiksaanwijzing in zijn handen. En kijkt, en herleest de
folder. 'Gefeliciteerd!', zegt hij.
We hebben de hele dag om te
wennen aan het idee. Ik pak gelijk mijn agenda erbij om te kijken
wanneer week 40 valt. Met pen nummer ik de weken. Mijn uitgerekende
datum is 5 januari 2003. Jeetje, dat klinkt nog ver weg! Tegelijkertijd
denk ik: 'wat moet ik met mijn agenda als het allemaal mis loopt?'. Dan
zal ik iedere week herinnerd worden aan een baby die niet geboren werd.
Hoe haal ik het in mijn hoofd om nu al zo ver vooruit te denken! |
|
 
|
|
ECHO
|
|
|
Jan en ik moeten naar het
ziekenhuis voor een echo. Ik ben toch wel wat zenuwachtig. Als nou eens
blijkt dat er opeens niets meer zit of dat er geen hartactie meer is?
Brrr... daar moet ik niet aan denken.
| We worden
gehaald door een mevrouw en mogen de echokamer in. Ik ga liggen.
Wat zal ik opgelucht zijn als ik op dat scherm iets zie bewegen.
Ze smeert mijn buik in met gel. Dan beweegt ze de sensor over
mijn buik en werpt een blik op de monitor. Als ze zich naar de
monitor draait, kijk ook ik gespannen naar het scherm. Een
historisch ogenblik volgt in dat donkere kamertje van het
ziekenhuis. Ik knijp mijn ogen tot spleetjes en tuur naar het
scherm. Op het moment dat ik iets 'raars' zie, roept Jan
verbaast uit: 'het zijn er twee!'. |
 |
De echografiste beweegt de sensor
nog een keer over mijn buik, schraapt haar keel en kijkt ons aan en
zegt: 'Inderdaad... het zijn er twee!'. Dat waren ze dus. Ik had ze
gezien voordat de magische woorden van de echografiste werden gesproken:
twee wurmpjes boven elkaar. Ik krijg spontaan de slappe lach. Mijn buik
schut en de twee vruchtjes schieten 'uit beeld'. Zo ontzettend blij dat
er iets leeft. En zo lacherig omdat het zo vreselijk veel leven is.
De echografiste zegt: 'Wel een
verrassing he?' en probeert zo onze stemming te peilen. We vertellen
haar dat het nieuws ons volslagen overvalt, maar dat we er dolblij mee
zijn! Ik ga razendsnel de consequenties na. Bedenk dat het goed is dat
we nu niet meer in Amsterdam, op twee hoog wonen. En met werken wordt
het nu ook anders denk ik. Met één had ik misschien nog wel willen
proberen om fulltime te blijven werken, maar met twee zal het zeker
parttime worden.
De echografiste veronderstelt dat
het 'tweeëiig' is. Ze laat zien waar elk kindje zijn/haar eigen
placenta heeft liggen. Als ze klaar is met haar onderzoek, maak ik me
met moeite los van het scherm. Plechtig overhandigt ze ons drie
afdrukken van de echo. Lacherig lopen Jan en ik terug naar de
wachtkamer. 'Ik zag het meteen toen er beeld was dat het er twee waren,'
reconstrueert Jan het historisch moment.
Dan worden we gehaald door een
gynaecoloog. Achter zijn bureau gaat hij er eens goed voor zitten. 'De
zaken liggen nu wat anders,' zegt hij. Ik heb nu een medische indicatie
en zal in het ziekenhuis moeten bevallen. Ik krijg nu voortaan alle
controles in het ziekenhuis en zal niet meer naar de verloskundige
hoeven.
We lopen naar de auto. Ik vat het
nog steeds niet. Vanochtend was ik nog bang voor een vroege miskraam en
nu zitten er opeens twee. Het is alsof er sprake is van een misverstand.
Twee kinderen, dat moet wel een vergissing zijn. Maar ze zitten er en nu
wil ik ze houden ook.
'Straks gaat er eentje dood,'
piep ik. 'Ik kan me niet voorstellen dat ze het met z'n tweetjes zullen
redden.
In de auto bel ik gelijk familie
op. 'En hoe was het?', vraagt mijn moeder.
|
| 'Goed,
allemaal goed.' |
| 'Oh,
wat ben ik daar blij om!' |
| 'Maar
dat is nog niet alles...' |
| 'Oh?' |
| 'Het
is er niet één! Het zijn er twee!' |
|
| Een
onbedaarlijke lach is mijn deel. 'Twee', hik ik,
'twee'. |
| Ook
mijn tante begint te schateren als ze de uitslag hoort. |
|
'Het zijn er twee!' Ontelbare
keren herhaal ik de zin. In de auto keer op keer. Ik proef de magische
woorden. Aan alle kanten. Alsof ik daarmee de betekenis doorgrond. 'Het
zijn er twee!'
Hoe is het mogelijk? Een
tweeling... Nooit heb ik iets gehad met tweelingen. Wat weet ik nou
helemaal van tweelingen? Thuis sla ik mijn zwangerschapsboek erop na,
want het hoofdstuk 'Meerlingen' had ik overgeslagen. Vaker
vroeggeboorten, sneller in de couveuse, lichter dan eenlingen. En ze
komen de laatste tijd meer voor. Bij oudere moeders kan nog wel eens
sprake zijn van een dubbele eisprong.
|
|
 
|
| Dubbel, denk
ik, alles dubbel! Lichtelijk aangeslagen, maar ook weer trots
drentel ik door het huis. Alles dubbel. Twee bedjes, twee
maxi-cosi's, twee wipstoeltjes. Twee kinderen. |
Ik ga bellen. Met vriendinnen en
familie. Telkens opnieuw hetzelfde verhaal. Tot ik het dromen kan. Bij
een enkeling kom ik aan de uitgerekende datum toe. Dan wordt aan de
andere kant meteen vastgesteld dat het heel onwaarschijnlijk is dat ik
die haal. 'Want tweelingen worden altijd eerder geboren, is het niet?'
Een paar dagen later koop ik 'Het
tweelingboek' van Lenny Duijvelaar & Anjo Geluk. Ik blader het
ongelovig door. Berichten uit een andere wereld, zo onwerkelijk. Ik lees
een stuk over een dubbele bevalling en lees over een vrouw die op het
laatst van haar zwangerschap haast niet meer kon lopen. Zo zwaar was ze.
Als ik niet bezig ben, dan denk
ik aan de zwangerschap en maak ik me vooral zorgen. Hoe is het toch
mogelijk dat uitgerekend ik twee kinderen zal krijgen? Het kan niet waar
zijn. En tegelijkertijd heb ik me al zo aan het idee gehecht een
tweeling te krijgen. 'Allebei', zeg ik tegen Jan, 'en nu wil ik ze ook
allebei!'
|
|

|
| GYNAECOLOOG |
(september 2002)
|
| Het echoapparaat gaat
weer aan en ik zie ze weer. Ze zijn nog echter, herkenbaarder.
'En hou er rekening mee dat je
rond je 28e week moet stoppen met werken, zegt de
echografiste. Ik kijk haar aan alsof ik het in Keulen hoor donderen. Dat
kan toch niet? Dat is al heel snel?
Als we weer bij de gynaecoloog
zitten, zijn we iets beter geïnformeerd dan de eerste keer. Maar het
blijft nog onwerkelijk. Hij is zeer tevreden over mijn bloeddruk.
|
 |
|
De dubbele portie
zwangerschapshormonen maakt mij wisselvallig. Als we 's avonds
thuiskomen en ik doodmoe in bed kruip, huil ik stil sentimentele
zwangerschapstranen.
Ik ben opeens ontzettend moe.
'Waarom huil je nu?' 'Omdat ik pijn in mijn rug heb, vreselijk dik ben,
niks meer lust en heel erg zwanger ben.'
's Avonds ga ik maar weer in bad.
Een uitverkoren plek. In het water lijk ik kilo's lichter en de warmte
doet mijn rug goed.
|
|
|
|
De kinderen voel ik geregeld, hun
bewegingen zijn kleine porretjes in mijn buik. Soms nog heel ver weg en
vaag, alsof er luchtbellen uit elkaar spatten. Plop, plop, plop. De
bewegingen nemen mijn buik in bezit. De kinderen groeien gestaag door.
Zal er op den duur ruimte voldoende ruimte voor ze zijn? Vooral als ik
mij ontspan of als ik lig, dan voel ik ze. Maar last heb ik er nog niet
van.
 |
Wat me
tegenvalt, is de moeite die ik heb met lopen. Ik raak er buiten
adem van. En mijn onderbenen houden veel vocht vast. Ik hou ze
zoveel mogelijk omhoog. Als ik loop, lijkt het alsof mijn benen
opzetten. Ze worden dikker en dikker en de huid van mijn benen
gaat steeds strakker staan. Mijn mobiliteit neemt met rasse
schreden af.
Vandaag de maxicosi's
halen. Als ik in de auto zit, zit mijn buik zo in de weg dat ik
er beroerd van word. Bij een parkeerplaats stoppen we. Naast een
picknicktafel ga ik languit in het gras liggen. En voel me
zielig. Bah, deze aanvallen van misselijkheid vind ik vreselijk.
Na twintig minuten voel ik me weer wat beter.
|
|
| Zwanger zijn doe je
niet zomaar even: je gaat naar zwangerschapsgym, leest
negenmaandenboeken, gaat naar babywinkels, etc. In deze
zwangerschapswereld worden kosten noch moeite gespaard: |
| 'Hier koopt
men alles nieuw!' |
Toch voel ik me een
buitenstaander, want nergens wordt gerept van het lot van een
tweelingmoeder. Er wordt steeds gesproken over: de baby. Ik heb te veel
baby in me. De vrouwen uit de negenmaandenbladen zijn bescheiden zwanger
van een eenling. Ze zijn fraai opgemaakt, het haar zit keurig, ze dragen
mooie zwangerschapskleding... Maar ook al was ik zwanger van een
eenling, dit is niets voor mij. Net als de prachtige
zwangerschapskleren, de dure commode etc: laat die maar aan anderen
over.
Het speciale babykamermeubilair
spreekt me over het algemeen helemaal niet aan. Ik houd het lekker bij
een oude commode waar ik zelf nog op heb gelegen. Als ik die een nieuw
kleurtje geef, dan kan die nog prima. Het enige dat ik aan meubels nog
zal kopen, zijn twee ledikantjes.
|
 |
|

|
|
In de wachtkamer van het
ziekenhuis kom ik vrouwen tegen met een meerlingbuik. Elke keer weer
bedenk ik verbaasd hoe het toch mogelijk is dat iemand zo'n buik heeft?
Ik kan me nauwelijks voorstellen dat die van mij zo immens zal worden.
'Ik vind hem nu al zo groot,' zeg
ik even later tegen mijn gynaecoloog, als ik naast het echoapparaat in
de stoel lig. Hij lacht: 'Let op mijn woorden, dit is nog niets. Hij
wordt nog veel en veel groter!'
Achtentwintig weken ben ik, maar
met een buik die voelt als negen maanden. Het leven lijkt zich van uur
tot uur af te spelen. En iedere etappe kost me weer moeite. Soms probeer
ik er één over te slaan. Het middagrusten bijvoorbeeld. Dan wordt ik
onherroepelijk terug gefloten.
Ze liggen allebei dwars in mijn
buik en wegen 1170 en 1230 gram. Het bovenste kindje ligt dicht tegen
mijn ribben aangedrukt. Dat ze nu nog dwars liggen, is geen probleem. De
gynaecoloog verzekert me dat er nog tijd en ruimte genoeg is om te
draaien. Er hoeft geen sprake te zijn van een keizersnede. 'Het wordt
een fluitje van een cent,' sust hij. Dat lijkt me weer iets al te
optimistisch.
Soms lig ik op mijn rug en houd
mijn handen op mijn buik en voel de kinderen bewegen. Het jongetje is de
meest actieve. Maar dat kan ook komen doordat het meisje een
voorliggende placenta heeft die ervoor zorgt dat er veel 'gedempt'
wordt.
|
|
|
|

|
| VOORLICHTING |
(november 2002)
|
|
Het ziekenhuis organiseert twee
keer per maand een voorlichtingsavond waarop aanstaanden te horen
krijgen wat bevallen in het ziekenhuis inhoudt en waarbij je alvast kunt
kennismaken met de apparatuur, verloskamer, couveuseafdeling etc. In de
zaal waar de bijeenkomst plaatsvindt, speur ik naar andere
tweelingmoeders. Ze zijn er volgens mij niet. De buiken lijken me wat te
bescheiden. Een verpleegkundige licht ons in over de gang van zaken. We
kunnen bevallen zoals wij willen. Er zijn zelfs baarkrukken. In bad
bevallen kan weer niet.
Lang houd ik het zitten op een
stoel in het zaaltje niet vol. Ik ben nu 33 weken zwanger en bij de
laatste controle werd het gewicht van de kinderen vastgesteld op 1805 en
1935 gram en er zit ruim 20 kilo bij. In de pauze besluiten we maar om
naar huis te gaan, want eigenlijk hebben we niets nieuws gehoord. We
lopen terug naar de auto. Ik ben nog vervuld van tangen, vacuümpompen
en knippen.
|
|

|
|
Wat hebben deze weken me vaak
door het hoofd gespeeld. In mijn stoutste dromen had in niet gedacht het
ooit zover te brengen. Vijfendertig weken! Zou ik dan toch de 37 of
misschien wel de 40 halen? In de 31e week had ik de
gynaecoloog in een moedeloze bui laten weten dat het wat mij betreft wel
afgelopen mocht zijn. Daar wilde hij niets van weten. Zo lang mijn lijf
het zo keurig deed (bloeddruk 95/65) en de kinderen het daarbinnen zo
goed deden, liet hij ze lekker zitten. Al was het week 40!
Toen ik net zwanger was, keek ik
uit naar 'het zwangerschapsverlof'. Naar die eindeloze reeks lege, vrije
dagen. Die zou ik, wist ik toen, vullen met klussen waar ik anders nooit
aan toe kwam: foto's inplakken, administratie ordenen, opruimen,
schilderen, films kijken en vooral veel lezen. Het komt er niet van. Ik
laat de tijd door mijn vingers glippen lijkt wel.
Als ik zit, zorgt het meisje voor
veel overlast en ook het jongetje strekt zich uit, zodat ik kortademig
word. Eventjes aan tafel zitten lukt nog wel, maar een middag lang de
administratie doen kan ik wel vergeten.
Op mijn rug liggen in bed lukt
niet meer. Binnen vijf minuten wordt ik misselijk, duizelig en ga ik
bijna van mijn stokje. Ook in het ziekenhuis, tijdens een echo, lig ik
niet meer op mijn rug. Dit komt vaker voor is mij verteld. Het gewicht
van de placenta, vruchtwater en de baby's drukt op de holle lichaamsader
en zorgt ervoor dat je te weinig zuurstof krijgt.
Ik vind het zwaar. Pijn in mijn
bekken, mijn ribben en mijn rug. Mijn actieradius wordt steeds
kleiner… Het lichaam vraagt om zelfbehoud. Ik leef in een cocon en
bekijk de wereld vanuit mijn eigen zwangere bestaan. Ook de nachten
worden steeds langer. Gemiddeld slaap ik tussen de 3 en de 5 uur per
nacht en ik word gek van de kriebelende benen, tintelende voeten en de
misselijkheid als ik op mijn zij lig. Het vake plassen heb ik al
geaccepteerd. De hormonen zijn me deze laatste weken volledig de baas.
Ze dringen me terug in een eigen, besloten wereld. Daar is slechts
ruimte voor twee nieuwkomers. Tijdens de (twee)wekelijkse controles heb
ik het gevoel dat ze er al een beetje zijn. Dan hóór ik ze en dan zie
ik ze. Er wordt gekeken of ze goed gegroeid zijn, naar de doorbloeding
van de placenta en naar de hartslag. De echografiste en de gynaecoloog
zijn tevreden over de twee. Ze wegen nu 2290 en 2350 gram. Het jongetje
ligt niet meer dwars, maar is al iets ingedaald in het bekken. Allemaal
goed nieuws dus. Nou, van mij mag hier direct een einde aan komen. Ik
ben het meer dan zat!
|
|

|
 |
 |
|

|
| BABYKAMER |
(december 2002)
|
| In de babykamer
wachten de twee bedjes, alsof ik binnenkort een crèche ga openen. In de
kasten liggen stapels luiers, rompertjes, pakjes en broekjes. Ik kan me
niet voorstellen dat ik binnenkort met twee kinderen zit.
Ik noem de kinderen nog maar eens
hardop bij hun namen. Om te horen of ze wel klinken. Ik vind dat we een
goede keuze gemaakt hebben. Vier namen, elk twee.
Mijn ziekenhuistasje staat al
weken klaar. Voor mijzelf heb ik er wat (nacht)kleding en toiletspullen
ingestopt. De kleren van de kinderen houd ik stuk voor stuk omhoog en ik
verwonder me. Ze zijn zo verschrikkelijk klein.
|
 |
|
's Ochtends doe ik niet veel. Ik
blijf in bed, want ik voel me moe, verschrikkelijk moe. 'Ze moeten nu
echt wel komen,' snik ik tegen Jan als hij naast het bed staat. 'Ik ben
zo beurs, zo moe, ik ben het eigenlijk zo ontzettend zat. Steeds
maar die pijn.'
De huid van mijn buik is strak
gespannen. Ik vraag me af hoe deze buik er na de bevalling uit zal zien.
Ik strijk nog eens over mijn buik. Onderin het jongetje, bovenaan het
meisje. Ze voelen zwaar. Eerst zal het jongetje komen, dan volgt het
meisje, is mij door de gynaecoloog verteld.
|
|

|
 |
Het is woensdag 18
december. Ik ben 37 weken en 3 dagen zwanger en de bevalling zal worden
ingeleid.
Het is 12:30 uur. Dit is dus de
verloskamer. Hier gaat het gebeuren! Ik neem alles in me op. Voor later,
voor de totale reconstructie. Voor mij is het een van de belangrijkste
dagen uit mijn leven. De specialist heeft me verzekerd dat ze zonder
problemen geboren kunnen worden. Ik stel me gerust met de gedachte dat
de operatiekamer dichtbij is. Voor als ze er toch niet uitkomen. En dat
de pijnbestrijder in de buurt is, voor het geval ik het niet meer
uithoud.
Een co-assistent neemt een deel
van het werk voor haar rekening. Ze waarschuwt me dat zij de vliezen
gaat breken. Daarna zal op het hoofd van het jongetje een elektrode
aangebracht worden waardoor ze zijn hartslag kunnen controleren. Ik voel
het vruchtwater wegstromen. Warm. Eindeloze stroom. Nu kan ik niet meer
terug. Er is wat druk van mijn buik. Nooit zal hij meer zo groot zijn
als enkele ogenblikken geleden.
|
| Om 13:30 uur
wordt er een infuus in mijn hand ingebracht en daarmee is naar
mijn gevoel de bevalling echt begonnen. De bevalling zal onder
supervisie van de gynaecoloog plaatsvinden. De arm waarin het
infuus steekt, heb ik rustig naast me liggen. Op mijn buik is
een draad bevestigd die naar een apparaat voert dat de weeënactiviteit
meet. Rond 14:30 wordt de eerste weeënactiviteit geconstateerd.
Los van de wereld voel ik me. |
 |
Jan staat naast mijn bed. Ik maak
hem deelgenoot van mijn angsten. Ik kan nu niet meer terug, ik moet er
doorheen. Maar wat zou ik de komende uren graag willen overslaan. De weeën
worden sterker en Jan houdt mijn hand vast. Vooral rugweeën heb ik. Ze
trekken vanuit mijn middel naar mijn ruggengraat. Ik vraag Jan of hij
over mijn rug wil wrijven.
Soms ben ik even terug als de
interval tussen de weeën het toelaat. Wat is dit zwaar. Omstreeks 21:00
uur heb ik het gevoeld dat ik de weeën niet meer goed kan opvangen. Ik
verdraag deze pijn niet meer. De gynaecoloog voelt en zegt dat ik mag
gaan persen. Magische woorden. Ik mag gaan persen. Ik zal kracht zetten.
Ik zal hem eruit krijgen. Ongeschonden. Ik denk even alleen maar aan dit
kind. Alsof ik daarna niet nog een keer moet. Ik voel een perswee. Ik
pers en pers. Ik voel iets zachts! Ik voel iets warms! Ik voel hoe het
hoofdje wordt geboren, gepakt en de rest van het lijfje uit mijn lichaam
glijdt. Mijn buik, hij is er nog, maar kleiner. Kijken, denk ik, kijken.
De eerste aanblik wil ik hebben. Herinneren wat ik zag toen ik hem voor
het eerst in de ogen keek. Ik hou hem tegen me aan en voel het
glibberige lijfje. Een moment met eeuwigheidswaarde. Het kind op je
buik, voor het eerst op je buik. Ik mag bekend maken hoe dit jongetje
gaat heten. Plechtig noem ik de namen: Jurre Merlijn. Geboren om 22:00
uur precies.
De gynaecoloog neemt weer de
leiding en zegt dat er iets aan het bed (en mijn houding) veranderd moet
worden omdat het meisje in stuit ligt. Hij voelt hoe het meisje ligt.
Zijn hand reikt angstig hoog op mijn buik. Wat ligt ze nog ver weg. Ik
probeer weer kracht te zetten. Een perswee voel ik niet. Werken in het
wilde weg. Het is of ik minder grip heb. Daar gaat ze.
 |
Ik voel haar,
op een heel andere manier dan haar broer, uit mijn lichaam
verdwijnen. Raar voelt het, rommelig. Het is een meisje, echt
een meisje: Roos Sterre. Het is inmiddels 22:32 uur. Ik krijg
haar niet op mijn buik, omdat ze slap is wordt ze meteen
meegenomen naar een zijkamertje. Jan gaat met haar mee en ik
moet wachten op de twee placenta's die gelukkig om 22:50 uur uit
zichzelf komen. En terwijl ik zo lig, in opperste verbazing over
deze overdaad, word ik gehecht.
Jurre komt na het
onderzoek in het zijkamertje meteen naast mij te liggen. Eerst
nog wel in een verwarmde couveuse, maar al na een half uurtje
mag hij in een doorzichtig wiegje.
|
| Helaas gaat
het met Roos een stuk slechter. Omdat ik gehecht word heb ik
niet goed door wat er zich in het zijkamertje afspeelt. Er is
nog een kinderarts bijgehaald. Roos haalt geen adem, is slap en
wit. Op het moment dat Jurre geboren werd, is de werking van
placenta van Roos sterk achteruit gegaan. Hierdoor heeft ze het
in mijn baarmoeder zeer benauwd gekregen. Haar hartactie is
prima, maar ademen doet ze niet. Ze proberen van alles om haar
te prikkelen, beademen haar handmatig 15 minuten lang... maar
het duurt heel lang voor ze op gang komt. |
 |
|
 |
Ze wordt meteen
overgebracht naar de couveuseafdeling. Pas om 01:00 uur kunnen wij haar
zien.
's Nachts blijkt het helemaal
niet goed te gaan. Ze vertoont convulsies (stuipjes, epileptische
aanvallen) en krijgt hiervoor medicatie (Luminal) via het infuus.
De volgende ochtend horen we dat
de Luminal niet voldoende helpt en dat ze een zwaarder medicijn nodig
heeft. Dit medicijn (Dormicum) heeft echter als nadeel dat er 50% kans
is dat ze stopt met ademhalen. Het Flevoziekenhuis biedt niet voldoende
ondersteuning en dus wordt ons kleine meisje in allerijl overgeplaatst
met de babylance naar het AMC in Amsterdam.
|
|